De Hoge Raad heeft eerder dit jaar prejudiciële vragen over hennep gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De kernvraag is of het Unierecht in de weg staat aan de Nederlandse strafbaarstelling van hennep met een THC-gehalte onder de Europese drempelwaarde. Het verwijzingsarrest werd gewezen op 10 februari 2026, de uitspraak van het Hof van Justitie zelf volgt op een later moment. Die uitspraak kan grote gevolgen hebben voor de handel in en het bezit van laag-THC hennep binnen de Europese Unie.
Zaak over ingevoerde hennep uit Spanje
De zaak gaat over een verdachte die door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch is veroordeeld voor twee Opiumwetdelicten. Het ging om de invoer van hennep vanuit Spanje naar Nederland en het aanwezig hebben van die hennep. De verdachte had daarnaast een andere partij hennep in bezit, kennelijk bestemd voor de productie van thee en CBD-olie voor patiënten van artsen en ziekenhuizen.
Namens de verdachte voerde cassatieadvocaat J.J.A.P. van Breukelen aan dat de Opiumwet op dit punt in strijd is met het Unierecht. Volgens Van Breukelen is de zaak daarmee uitgegroeid tot een principiële procedure over de Europese status van laag-THC hennep.
Prejudiciële vragen over hennep aan het Hof van Justitie
De Hoge Raad wijst in het arrest ECLI:NL:HR:2026:205 op eerdere Europese rechtspraak over vrij verkeer van goederen bij CBD, die dateert uit 2020. Op basis daarvan vraagt de Hoge Raad of het Unierecht, met name de gemeenschappelijke marktordening (Verordening 1308/2013), artikel 4 lid 4 van Verordening 2021/2115 en de artikelen 34 en 36 VWEU, in de weg staat aan artikel 11 in samenhang met artikel 3 van de Opiumwet.
Dat artikel verbiedt onder meer het bezit en de invoer van onbewerkte hennep uit een andere lidstaat. De vraag spitst zich toe op hennep die is geteeld met gecertificeerd zaad van een ras op de Europese rassenlijst, en waarvan het THC-gehalte niet hoger is dan 0,3 procent. Het Hof van Justitie heeft de zaak geregistreerd als C-73/26, onder de fictieve naam Korgen.
Vergelijkbare zaak loopt al bij Italiaanse rechters
De Nederlandse verwijzing staat niet op zichzelf. De Italiaanse advocaat Giacomo Bulleri wees er op LinkedIn op dat Italiaanse rechters al eerder soortgelijke vragen stelden aan het Hof van Justitie, in de bij het hof aanhangige zaak C-716/25. Ook daar gaat het om de vraag of drugswetgeving zich mag mengen met landbouwregels voor hennep zonder verdovend effect.
Bulleri stelt dat de grens tussen hennep en cannabis, en tussen landbouwwetgeving en drugswetgeving, met deze zaken scherper wordt afgebakend. Met twee vergelijkbare verwijzingen uit Nederland en Italië krijgt het Hof van Justitie de kans om deze grens EU-breed te verduidelijken.
Gevolgen voor lopende Nederlandse strafzaken
Vooruitlopend op het antwoord van het Hof van Justitie gaf de Hoge Raad al een voorlopig beslissingskader voor andere lopende strafzaken. De Nederlandse strafbaarstelling van hennepbezit en -invoer hoeft alleen buiten toepassing te blijven als aan vier voorwaarden is voldaan. De teelt moet zijn aangemeld volgens de geldende voorschriften, er moet gecertificeerd zaad zijn gebruikt, het oogstmoment moet aan de teelteis voldoen en het THC-gehalte mag niet boven de 0,3 procent komen.
Een samenhangende cassatiezaak, nummer 23/01263, is inmiddels aangehouden in afwachting van het Europese antwoord. Zolang het Hof van Justitie geen uitspraak heeft gedaan, blijft onduidelijk of de Opiumwet op dit punt aangepast moet worden. De uitkomst raakt niet alleen strafzaken, maar ook de bredere handel in laag-THC hennep binnen de Europese Unie.









